Terug



Prijsvragen

Deze prijsvragen zijn bedoeld voor leerlingen



29 Kantje boord

Een blikje kan op zijn kant staan als het min of meer gevuld is zoals je ziet. Met een dicht blikje lukt dat niet en met een leeg blikje ook niet.

  1. Doe dit na en stuur ons een foto van je opstelling.
  2. Hoeveel gram water moet je minimaal aan een leeg blikje toevoegen zodat het op zijn kant blijft staan?
    En maximaal?
  3. Geef in jouw foto het gebied aan waar het zwaartepunt van het blikje zich moet bevinden en licht je antwoord toe.
Stuur vóór 13 januari 2019 24:00 uur de oplossing naar stevin@stevin.info en win € 25.
Vermeld je naam, je klas en de naam van je school.





28 Een zwevend betonblok?

Thomas More droomde in 1516 al van een materiaal waarmee huizen met dunne wanden en grote ramen konden worden gebouwd. Vijfhonderd jaar later staat onze hele wereld vol met beton.
Een vliegend betonblok voelt als utopisch. Maar ... in het stedelijk museum in Amsterdam leek een groot exemplaar te zweven. Echter, na een kwartier moesten de bezoekers de zaal verlaten of gingen de gordijntjes dicht en dat is verdacht.



Bekijk ook de film van de kunstenaars.
Heb jij een verklaring?

Oplossing
Er kwamen vrij veel oplossingen binnen met vaak creatieve suggesties, zoals: het is een hologram, er is vet veel visdraad gebruikt, er zijn drones gebruikt. Ook werd gesuggereerd dat er magneten in het spel zouden zijn. Jammer genoeg verbiedt de stelling van Earnshaw dat. De goede oplossing is: het is een soort zeppelin die met helium gevuld is. We moesten loten en de winnaar werd Pepijn Stokman uit V4B van het Amadeus Lyceum in Vleuten. Hij schreef:
"Ik denk dat het niet echt een betonblok is, maar dat het een heel goede namaak is, zoals piepschuim. Van binnen is het hol met een zak erin waar helium in zit. Die gordijntjes moeten af en toe dicht zodat de kunstenaars het blok weer kunnen bijvullen met de juiste hoeveelheid helium en het kunnen herpositioneren. Conclusie is dus dat het niet echt een betonblok is, maar eerder een soort mini zeppelin."





27 Kopzorgen

Een voetbal van 437 g en straal R = 11,0 cm, deukt tijdens deze botsingen 5,5 cm in en veroorzaakt een druk p op het hoofd van de voetballers van 1,4 bar.

  

  1. Toon aan dat hier voor het oppervlak A van het platte deel van de bal geldt: A = ¾πR2.
  2. Schat de gemiddelde kracht op de speler.
  3. Schat de snelheid waarmee de bal zal terugveren.


Oplossing
Er kwamen tien min of meer goede antwoorden binnen. De druk van 1,4 bar zal de maximale geweest zijn, maar goed, dat stond er niet duidelijk bij. We moesten loten en de winnaar bleek:
Therèse Sluys, Gerrit Rietveld College, Utrecht
  1. Uit de figuur blijkt:
    r2 = R2 - (½R)2   ==>   r2 = ¾R2   ==>   A = ¾πR2

  2. Voor de maximale kracht op het hoofd geldt:
    Fmax = 1,4·105·¾π(11·10-2)2 = 4,0·103 N
    Het krachtverloop tijdens het terugveren is onbekend. De gemiddelde kracht schatten wij op de helft hiervan, dus:
    Fgem = 2,0·103 N

  3. De arbeid van deze gemiddelde kracht levert de kinetische energie voor de bal en daarmee is de snelheid te berekenen:
    W = 2,0·103·5,5·10-2 = 1,1·102 J   ==>   v = 22 m/s






26 Mattenkloppen

a.   Leg uit welke wet de chaos in dit filmpje voorspelt (klik op onderstaand plaatje om het filmpje te bekijken).



Vraag 6 a van hoofdstuk 2 (havo en vwo) luidt:
Om welke traagheid gaat het bij mattenkloppen.

Op de site wordt dit antwoord gegeven:
De traagheid van het stof. De (zware) mat krijgt snelheid, maar staat ineens stil. Het stof schiet door en de mat blijft schoon achter.

Een gebruiker van het boek vindt dit een beter antwoord:
De traagheid van het stof. De mat krijgt plotseling snelheid door de klap en het stof (dat min of meer los verdeeld zit in de mat) blijft achter en komt zo los van de mat.

Voor beide antwoorden is wat te zeggen - tenminste als je weet hoe er 'geklopt' wordt.
b   Leg dat uit.



Oplossing
Het goede antwoord kwam van Sven van Zoggel uit klas 5A, Gymnasium Bernrode
  1. De eerste wet van Newton. Massa is traag
  2. Je kunt op twee manieren ’kloppen’.
    De eerste is met de mat ergens tegen aan slaan, bijvoorbeeld een muur. Dit is de uitleg van de site.
    De tweede is met een mattenklopper tegen de mat slaan. Dit is het alternatief van de gebruiker van het boek.






25 Ballon

Vraag 4 van de Nationale Wetenschapsquiz 1999 luidde als volgt:
Twee identieke ballonnen zijn met een buisje aan elkaar verbonden. In het midden van dat buisje zit een kraantje. Beide ballonnen zijn opgeblazen, de ene tot een diameter van 25 cm, de andere tot een diameter van 10 cm. Wat gebeurt er als het kraantje wordt opengedraaid?

Dit waren de antwoorden waaruit de deelnemers mochten kiezen:
  • Er gebeurt niets. De ballonnen blijven even groot als ze waren
  • De grote ballon loopt gedeeltelijk leeg in de kleine
  • De kleine ballon loopt gedeeltelijk leeg in de grote
Uit ervaring weet je dat een ballon opblazen in het begin en aan het eind - als hij bijna knalt - moeilijk is. Dat blijkt ook uit deze grafiek; de overdruk in de ballon is p - b met b de barometerstand; r is de straal van de opgeblazen ballon en R is de straal als die nog niet onder spanning staat.
Uit de grafiek blijkt ook dat de vraag uit de Wetenschapsquiz dubieus was.



  1. Wat is het goede antwoord als rklein/R = 1,5   en   rgroot/R = 5?
  2. En als rklein/R = 4   en   rgroot/R = 9?
  3. Kies vervolgens één van de volgende opdrachten:
    • Maak een film of een foto van een knallende ballon.
    • Vraag een manometer, meet de druk in een leeglopende ballon als functie van de diameter en teken de grafiek zoals hierboven voor zover mogelijk. Stuur een foto van je opstelling mee.


Oplossing
Op prijsvraag 25 kwamen geen goede antwoorden binnen. Jammer. De vragen waren dan ook pittig.
  1. De kleine ballon loopt leeg in de grote. Daarbij schuift de eerste in de grafiek naar links en de tweede naar rechts.
    Die situatie kan zich voordoen als er een uitstulping ontstaat in een slagader; wordt die te groot, dan moet worden ingegrepen.
  2. De grote ballon krimpt en de kleine zwelt op tot ze (na enig schommelen) even groot zijn. In de grafiek schuiven beide naar elkaar toe.
  3. Dit is onze eigen meting:





24 De sheriff

De sheriff in een trein die met 50 m/s reed, zag een vuurgevecht op het perron tussen A en B die 50 m uit elkaar stonden. Volgens de sheriff - midden tussen A en B - schoten A en B tegelijkertijd, want hij hoorde één schot. De rechter veroordeelde echter B, omdat die volgens haar het eerste schoot.


  1. Maakt het verschil of de sheriff de schoten hoorde of de flitsen zag?
  2. Was de veroordeling terecht?
  3. Wie werd het eerst geraakt?
  4. Hoeveel tijd zat er tussen de schoten als de temperatuur 20 °C was?


Oplossing
Het beste antwoord kwam van Max Klootwijk uit V4 van het Walburg College in Zwijndrecht.
  1. Ja. De snelheid van het licht (3·108 m/s) is veel groter dan de snelheid van het geluid (343 m/s).
  2. Nee, want de sheriff reed naar B toe en van A af. A moet dus eerder geschoten hebben.
  3. B werd dus het eerst geraakt.
  4. Zet de sheriff in gedachten stil. Dan krijg je
    voor A: 25 = 293t dus t = 0,0853 s
    voor B: 25 = 393t dus t = 0,0636 s
    Als de sheriff de geluiden toch tegelijk hoort, heeft A 0,022 s eerder geschoten.


23 Aan (1) of uit (0)?


a. Vul de waarheidstabel aan die bij deze schakeling hoort:

b. Welke schakeling past bij deze waarheidstabel?



Oplossing

Er waren veel goede antwoorden zodat we moesten loten.
De gelukkige is geworden:
Lieke Stuijt uit klas A4C van het Don Bosco College in Volendam.

a.


b.




22 David en Goliath

Voordat David met een steen het voorhoofd van Goliath raakte, draaide de steen rondjes boven zijn hoofd.


  1. Waarom kan dat ronddraaien niet in een horizontaal vlak plaatsvinden?
    De lengte van de leren slinger is 60 cm en de steen weegt 20 N. De maximale spankracht - zodat de slinger net niet scheurt - is 300 N.
  2. Bereken het maximale toerental van de steen.




21 Rondjes draaien

Het legotandwiel met 30 tanden is vastgeplakt op tafel en kan niet draaien.
Je draait het kleine tandwiel met 20 tanden één keer om het grote tandwiel heen.



Hoeveel rondjes maakt het kleine tandwiel? Licht je antwoord toe.


De oplossing

Veel ingestuurde antwoorden gingen uit van twee tandwielen die elk om hun eigen vaste as draaien. Zij kwamen dus uit op 1,5 rondje.
Hier zit echter het grote tandwiel vast. Het kleine is een zogenaamd planetair tandwiel. Het maakt dus 2,5 rondje zoals uit deze foto's blijkt:



Marco Post uit 6a2 van het Wartburg College locatie Revius in Rotterdam heeft de prijs gewonnen. Hij schreef ons:
"Het grote tandwiel heeft 1,5 keer zoveel tanden als het kleine tandwiel. Als het kleine tandwiel een keer om het grote tandwiel heen draait passeert hij 30 tanden. Aangezien het kleine tandwiel 20 tanden heeft draait hij dan dus 1,5 rondje om zijn eigen as. Daarnaast maakt het kleine tandwiel natuurlijk ook nog een rondje om het grote tandwiel! In totaal maakt het kleine tandwiel dus 2,5 rondjes."




Voor prijsvraag 20 ontvingen we nog steeds geen inzending. Omdat we het een aardige opdracht vinden voor praktisch werk verlengen we nog één keer de inzenddatum.



20 Maak een filmpje van een waterstraal



Een soepele slang is met plakband aan een triller vastgemaakt. De straal is met een mobieltje gefilmd. Klik op de foto en bekijk ons filmpje. Verklaar de rare effecten en maak zelf zo'n filmpje.




We moesten loten bij prijsvraag 19. Bedoeld was het tunneleffect, maar wormhole, tunnelen, teleportatie e.d. beschrijven het plaatje ook.
De winnaar is geworden: Roelof Mestriner uit 5 vwo van Het Assink Lyceum in Haaksbergen.




19 Quantumwereld

Welk begrip uit de Quantumwereld wordt hier geïllustreerd?









18 De scanner in, maar welke?

a Benoem de scanners. Je mag kiezen uit: CT, MRI en PET.
   
A

B

C

b Kies de juiste foto’s erbij.
1

2

3

c Wat betekent dit bord?
Er waren veel goede antwoorden zodat we moesten loten.
De oplossing is:
  a.   A = MRI, B = PET, C = CT
  b.   1 (PET), 2 (MRI), 3 (CT)
  c.   Verboden voor pacemakers.

De gelukkige is geworden:
Maarten van den Berg uit klas 4 van Gymnasium Bernrode.



17 OBAFGKM

Annie Jump Canon bestudeerde honderdduizenden glasplaten met spectra van sterren.



Daardoor ontdekte ze bepaalde patronen, die ze onderbracht in eenvoudige reeksen.
Zij was de eerste die een typering invoerde op kleur in plaats van op de sterkte van de waterstoflijnen in het spectrum, wat tot dan toe gebruikelijk was.
De indeling is als volgt:

Hete, blauwe of witte sterren
     type O (blauw) - 50.000 K
     type B (blauw) - 33.000 K
     type A (wit) - 11.000 K
Gele of oranje, zonachtige sterren
     type F (wit) - 8000 K
     type G (geel) - 6000 K
     type K (oranje) - 5000 K
Koele, rode sterren
     type M (rood) - 3600 K

In de zesde editie van Binas is tabel 33 het 'Hertzsprung-Russell-diagram'.
Hierin staan sterren geclassificeerd volgens haar schema.

Waarom zij voor die letters koos, weten we niet.
Een paar oude ezelsbruggen om die letters te onthouden gaan zo:

O Be A Fine Girl Kiss Me.
Only Boys Accepting Feminism Get Kissed Meaningfully.
Oh Brother Another F's Gonna Kill Me

Wij vinden ze nogal macho, om maar te zwijgen van dit plaatje:

De prijs is gewonnen door Tamara Richardson uit vwo 6 van het Christelijk College Schaersvoorde met deze ezelsbrug:

Orion beschrijft astronomische fonkelingen gedurende koude maanden.


We hebben dit keer niet geloot. Louis schreef:
”Die van Tamara vind ik eigenlijk de beste.
Astronomisch, lyrisch en die koude maanden kloppen ook nog.”
Ruud en Hubert waren het daarmee eens.




16 Een lichtkegel

Je schijnt met een laser door een bak met kraanwater op een blanco velletje A4 en je ziet dit:



De laserstraal reflecteert diffuus tegen het vel papier. Tussen de A4 en de bak zit een heel dun laagje lucht.



De getekende gereflecteerde lichtstralen breken van lucht naar water.
  1. Wat is de grootste hoek van inval imax?
  2. Bereken met imax de bijbehorende rmax.
  3. Wordt de kegel breder of smaller als je suikerwater gebruikt?
De winnaar is geworden: Bart Lammers van het Christelijk College Schaersvoorde te Aalten.

Onze oplossing is:
  1. imax = 90°.
  2. rmax = g en met sing = 1/n vind je dan g = 48,6°.
  3. De dichtheid van suikerwater is groter dan die van water. Daardoor neemt n toe en wordt g kleiner. De kegel wordt dus smaller.




15 Iets vergeten?

De chauffeur is met de schrik vrij gekomen en staat beteuterd naast zijn vrachtwagen.

  1. Met welke wet heeft hij geen rekening gehouden?
  2. Noem twee manieren hoe hij dit ongeluk had kunnen voorkomen.


Er kwamen veel antwoorden binnen uit alle delen van het land (17 verschillende scholen).
Uit de goede antwoorden moesten we loten.
De winnaar is geworden: Stijn Middelhuis van Het Assink Lyceum te Haaksbergen.

Onze oplossing is:
  1. De chauffeur heeft niet aan de traagheidswet gedacht.
  2. Hij had de lading beter aan de laadvloer moeten vastmaken en hij had voorzichtiger moeten remmen.
Speciale vermelding verdienen Eline en Clara van het St. Ignatiusgymnasium in Amsterdam die bedachten dat je ook kunt hopen op een noodweg!





14 De kat van Schrödinger

Op deze prijsvraag kwamen geen goede antwoorden binnen.

De oplossing:
Een toevalsschakelaar bepaalt of lampje 1 of lampje 2 aan gaat. Dan zie je óf een dode kat (1) door de halfdoorlatende spiegel S, óf een levende (2) in de weerspiegeling.



Bekijk ook de filmpjes:

In dit kistje bevindt zich de 'kat van Schrödinger'.



Of de kat dood of levend is, weet je pas als je het luikje opent.

 
Wat zit er in het kistje - behalve dan een toevalsschakelaar en twee dimlichten?




13 Nogmaals het schimmenspel
Op prijsvraag 12 kwamen geen goede antwoorden binnen. Jullie krijgen een tip en een herkansing.
Steek een stok in water en bestudeer hoe het wateroppervlak door de stok beïnvloed wordt.
Bekijk op de twee foto's nog eens hoe de stok in het water wordt gestoken.

Er kwamen geen goede inzendingen binnen.

Het antwoord:
Door de stok platter of minder plat in het water te steken kun je het wateroppervlak vervormen.


Hieronder een schaatsenrijder; zij vervormt het wateroppervlak ook. Bij felle belichting krijg je foto 2 van de prijsvraag.





Bron: TPT dec. 1998




12 Schimmenspel

Je steekt twee keer een stok in een bak water. Verklaar de verschillen in de schaduwen.










11 Een omgekeerde ’zandloper’

De vorm van een zandhoop hangt af van de vochtigheid en de grootte van de korrels. Als die glad zijn, is de hoek α klein.



Dat is ook waar voor de rode plastic bolletjes die hier in de vloeistof omhoog bewegen.



Voor de wrijvingscoefficiënt μ tussen de bolletjes onderling geldt: μ = Fw/Fn.
Bewijs: μ = tan α en bepaal de waarde van μ.

Er was één inzending die aan alle voorwaarden voldeed (bewijs en waarde van μ).
De prijs is gewonnen door Lennaert Tol uit A5A van het Don Bosco College in Volendam.

Dit is de oplossing:


Het korreltje is in evenwicht als:
Fw = Fop·sin α
Fw = μ·FN   met   FN = Fop·cos α   ==>
μ·Fop·cos α = Fop·sin α   ==>   μ = tan α
We meten α = 30º   ==>   μ = 0,58




10 Bandstoot



Via de band raak je zonder effect beide andere ballen. Verwaarloos de afmetingen van de biljartballen.
Bereken hoeveel centimeter de speelbal heeft afgelegd.

Voor deze prijsvraag waren een paar goede inzendingen, zodat we moesten loten. De prijs is gewonnen door Cees Oerlemans uit 6 vwo van het Christelijk Gymnasium Utrecht.
Van Wessel Kok uit 4 havo van het Don Bosco College Volendam kregen we zo’n figuur toegestuurd:






9 Een vrieskist



Terwijl het 27 ºC is, vul je de vrieskist van 0,400 m³ voor 80% en zet je de thermostaat
op -23 ºC.
Het deksel van 1,00 bij 0,50 m krijg je de volgende dag niet meer open.
Leg met een berekening uit waarom.

De oplossing bevat deze elementen:
  1. Bereken de nieuwe druk met Gay-Lussac: 8,3·104 Pa
  2. Bereken het drukverschil tussen binnen en buiten: 1,7·104 Pa
  3. Bereken de kracht op het deksel van 0,50 m2: 8,3·103 N
  4. Houd rekening met het scharnier: je hoeft maar met de helft van deze kracht te trekken, dus met 4·103 N
  5. Vergelijk deze kracht met de kracht die een mens kan leveren en concludeer dat je de kist niet open krijgt.
Er was maar één oplossingen die met al deze elementen rekening hield.
De prijs gaat naar de leerlingen uit 4a2 en 4a1 van het Warburg College, locatie Revius in Rotterdam.



8 Een viervlak

Dit viervlak bestaat uit zes weerstanden van 180 ohm. Het is aangesloten op 9,0 V.
Bereken de stroom die de bron levert en de stromen door de zes weerstanden.



De prijs gaat naar Fabian Schreurs, Rick Teuthof en Axel Valent uit A3B van het Zaanlands Lyceum. Zij hadden door dat de stroom die rechtstreeks tussen de krokodillenbekken oversteekt 50 mA is; dat de stromen via de andere hoekpunten elk 25 mA zijn en dat in de ribbe middenvoor, dankzij gelijkwaardigheid van de twee hoekpunten, geen stroom loopt. Al met al loopt er dus 100 mA.

Toa Kees Laan van het Don Bosco College in Volendam heeft dit viervlak met ledjes in elkaar gesoldeerd om te laten zien dat door één ribbe geen stroom loopt:





7 Trage gloeilampen

In de film wordt vier keer een identieke, extra gloeilamp van 100 W in serie bijgeschakeld.



De vijfde gloeilamp is het traagst van allemaal.
Dit komt natuurlijk doordat de stroom daar later aankomt.
Of niet? Stuur jouw verklaring vóór 18 januari 24:00 uur naar stevin@stevin.info en win €25.

Er kwamen geen goede oplossingen binnen. Wel hebben sommigen een klokje horen luiden, maar de klepel wist niemand te vinden.
Aan een goede oplossing stellen we deze eisen:
  1. Zodra de zwarte draad ergens is ingeplugd, loopt er door alle aangesloten lampen dezelfde stroom (serie).
  2. De laatst aangesloten lamp is koud en heeft een kleine weerstand (PTC).
    Volgens P = I²R wordt in die lamp minder vermogen opgewekt dan in de andere.
  3. Na korte tijd hebben alle lampen dezelfde temperatuur en dus ook dezelfde R. Ze geven dan evenveel licht want de lampen zijn identiek.
  4. Tijdens het opgloeien van de laatste lamp gaan de andere minder licht geven, want de totale weerstand van de kring neemt toe.




6 Drebbel?

Een verre nazaat van Cornelis Drebbel had een origineel idee: een duikboot laten opstijgen door magneten te gebruiken.



Wordt dat idee in de film gebruikt, of is er een andere verklaring voor wat je hier ziet?
Stuur je antwoord vóór 13 december 24:00 uur stevin@stevin.info en win €25.

Er kwamen geen goede oplossingen binnen. Onze oplossing is:





5 Treinspotten

Langs de rails staan drie waarnemers W1, W2 en W3, klaar om de lengte van een passerende trein te meten. W1 start met haar afstandsbediening de klok van W3 zo gauw de kop van de trein haar passeert. W3 stopt zijn klok als de staart hem passeert. W2 meet de passeertijd van de trein: 7,0 s.



Hoe hard reed de trein?

Voor prijsvraag 5 waren er tien goede inzendingen, zodat we moesten loten. De prijs is gewonnen door Esmée Theewis van het Geert Groote College in Amsterdam. We laten haar zelf aan het woord:

Ik denk dat het antwoord is: 20 m/s (72 km/h)
De passeertijd is 7,0 s. Dit is dus ook de tijd die de trein er over deed om vanaf de kop bij W3 tot de staart bij W3 te komen.
Dat betekent dat de trein er 18,0 - 7,0 = 11,0 s over deed om de afstand tussen W1 en W3, 220 m af te leggen.
v = x:t = 220:11=20 m/s


4 Een noodstop

De weg is weg. Je remt uit alle macht en komt net op tijd tot stilstand.
Stuurlui aan de kant beweren: je had beter een scherpe bocht kunnen maken.
Is dat zo? Leg uit.



Er kwamen geen oplossingen binnen. Onze oplossing ziet er zo uit:





3 Een dobbelsteen

De stippen lijken in de spiegel van kleur te zijn veranderd. Verklaar dit gezichtsbedrog.



Prijsvraag 3 is gewonnen door Gijs van der Gracht uit klas 5 van Gymnasium Bernrode in Heeswijk-Dinther. We laten hem zelf aan het woord:

”Ik vermoed het antwoord te weten. Volgens mij zit het zo:

De kleuren zitten in de gaten in de zijkanten van de dobbelsteen.
Nu denk ik dat de gaten maar ongeveer voor de helft zijn geverfd met kleur (zowel zwarte als rode ogen/gaten).



Dus als je er van bovenaf op kijkt, zie je alleen de onderste helft van de gaten en niet de bovenste helft.
Kijk je in de spiegel, kijk in feite van onderaf tegen de dobbelsteen op en zie je dus alleen de bovenste helft van de gaten en niet de onderste helft.
Verder:
De kleuren in de spiegel lijken nog wel enigszins op de kleuren die je ziet als je er rechtop (van bovenaf) kijkt.
Dit komt slechts door de reflectie van de kleuren die in de bovenste helft zijn geverfd.”




2 Een mini-segway of: een dubbeltje op zijn kant

Bekijk het filmpje. Leg uit hoe dit motortje werkt.
(Tip: de stuivers zitten niet met lijm aan de as vast.)



Prijsvraag 2 was moeilijk. Het beste antwoord kwam van Femke Rijfkogel van de OSG West Friesland in Hoorn. Gefeliciteerd!
We laten haar zelf aan het woord:
”Ik denk dat ik het antwoord op de prijsvraag weet.
In de cilinder zitten twee magneten die met de noordpool naar elkaar gericht zijn. Deze twee magneten willen elkaar afstoten en hierdoor ontstaan er magnetische veldlijnen die naar buiten prikken. Door de rails loopt een stroom waardoor er een lorentzkracht wordt opgewekt. Deze lorentzkracht is in deze situatie naar links gericht waardoor de cilinder gaat rollen.”



Deze foto toont hoe de dame meegesleept wordt door de as.
De bronskleurige euromunten zijn magnetiseerbaar. Zie ook Smaakmaker 4.






1 Met Stevin voor de spiegel

De opdracht was: wie kan het beste uitleggen hoe deze foto gemaakt is?


De prijsvraag is ex equo gewonnen door Kim Hofman en Nienke Meekel, leerlingen van het Don Bosco College in Volendam.

Ons antwoord ziet er zo uit:



Louis en Hubert staan beiden voor dezelfde spiegel. Hubert staat verscholen achter Louis, maar is in de spiegel zichtbaar. Er waren meer inzenders die dit doorhadden, maar alleen de twee Volendammers zagen dat Hubert met een nepboek in zijn handen stond dat er in spiegelbeeld dus goed uitzag. Deze foto was op zijn boek geplakt:



Kim en Nienke maakten ook foto's:





Op het DonBosco College bestaat de goede gewoonte dat leerlingen een extra punt kunnen verdienen met bijzondere prestaties, zoals onder andere het oplossen van onze puzzels. We geven deze tip graag door aan de docenten die met Stevin werken.